Interview Maren Stoffels
Een bijzondere vorm van kindermishandeling is het Münchhausen-by-Proxy-syndroom (MBP). In het kort gezegd komt het erop neer dat een moeder (meestal) haar kind steeds opnieuw iets aandoet en daarbij medische hulp zoekt om zo in het centrum van de belangstelling te staan en medelijden op te roepen bij iedereen om zich heen. Deze aandoening speelt een grote rol in het nieuwste boek van Maren Stoffels, Fright Night. Ik heb met haar afgesproken in een gezellige, beetje rumoerige lunchroom in het centrum van Haarlem. We drinken milkshakes en koffie. Maren vertelt hoe ze op dat idee kwam.
‘Mijn vrouw werkt in het onderwijs en heeft dat soort dingen voorbij zien komen. Dan heb je het er thuis over. Als je de getallen leest, zie je dat het redelijk vaak voorkomt. Dan schrik je je echt rot. Want er is toch weinig over bekend bij het grote publiek. Mijn eerste reactie om zo’n heftig thema aan te pakken was een roman te schrijven. Maar toevallig was ik net bezig met het idee van een fright night en over angsten. Toen zag ik een mooie kans om het een en ander te verweven: wat is je grootste angst? Dat je je eigen moeder niet kunt vertrouwen. Hoe vormt dat jou als tiener? En hoe gaat het eraan toe in zo’n specifieke nacht waar al je angsten bij elkaar komen? Om het boek in het hokje Young Adult te stoppen is misschien wat te beperkend. Hoeveel mensen doe je tekort als je het er wel of niet op zet? Ik weet dat ook kinderen uit de brugklas dit heel graag lezen, terwijl die officiëel niet tot de Young Adult categorie behoren. Qua thematiek is het vrij heftig, maar mijn taalgebruik is vrij toegankelijk voor hen. Ik wil graag de brug slaan naar de moeilijk lezende VMBO-leerling, maar ook naar de 25-jarige fanatieke lezers die zelf blogs bijhouden en mij nog kennen van Dreadlocks & Lippenstift (een eerder boek van Maren voor 11+ lezers). Naast dat steeds meer jongens mijn boeken lezen, zijn dat ook moeders en af en toe een verdwaalde vader.’ [kijkt mij aan en we lachen allebei]
Roelant: ‘Laten we bij het begin beginnen. Je bent hier in Haarlem geboren, net als ik?’
Maren: ‘Nee, ik ben in Amsterdam geboren. Ben daar naar school gegaan. De middelbare was het Montessorilyceum, het MLA. Daar komen veel creatieve mensen vanaf. Een heel leuke school! Ik debuteerde als schrijver al toen ik nog op school zat. Ik had dus eigenlijk al een baan en moest nog beginnen met studeren. Omdat iedereen dat ging doen dacht ik: nou dan ik ook maar. En het liefst maar iets kiezen wat het dichtstbij ligt. Ik vind kinderen leuk en lezingen geven, dus werd het de PABO. Toen heb ik voor Haarlem gekozen. Leuke stad; Amsterdam vond ik te groot. Ik kwam hier op de gracht wonen op een studentenkamer. De hele zomer hier opgeknapt. Vol goede moed begonnen met de PABO. Maar op de eerste dag zeiden ze tegen me dat ze me geen vrij konden geven om lezingen te geven tijdens schooltijd. Dat ik maar moest kiezen tussen mijn schrijverschap en de opleiding. Er was geen vrijstelling mogelijk. Tenminste niet zo vaak als ik nodig had. Of ik moest deeltijd gaan doen, midden tussen de volwassenen zeg maar. Dat leek me niks. Toen heb ik meteen voor het schrijven gekozen. ’s Avonds meteen mijn ouders gebeld om me op te komen halen. Want dit was een studenten kamer en ik was geen student meer. Ik terug naar mijn ouders. Thuis was mijn kamer na vier maanden verbouwd, maar dat gaf niet. Er was een tuinhuisje waar ik graag wilde slapen. Heel veel lezingen gaan doen en flink geschreven. Een tijdje daarna heb ik de liefde van mijn leven ontmoet. Die kwam uit Haarlem. Tenslotte vier jaar geleden de omslag gemaakt en zijn we samen in Haarlem gaan wonen. Het was even een beetje een trauma plek voor me. Die week van wel-of-niet doorgaan met de studie en hier in de buurt van het station lopen, dat kwam weer helemaal terug. Was een heel nare associatie, maar die ben ik nu gelukkig helemaal kwijt.’
Roelant: ‘Als ik een boek voor een interview lees probeer ik altijd wat persoonlijke ontboezemingen van de schrijver eruit los te weken. Met een post-it markeer ik die passages. Zoals deze uit Escape Room, als Caitlin in bed kruipt met Sky leg je haar de volgende gedachte op:
Misschien is dit net als met een vies hoestdrankje: ik kan het opdrinken uitstellen, maar soms is in één keer achteroverslaan een betere aanpak.
Roelant: ‘Als je zó de liefdesdaad beschrijft … met een jongen…’ [we lachen hartelijk]
Maren: ‘Ja, hahaha, dat is niet zo’n beste. Het mooie was dat heel veel lezers dachten dat Sky een meisje was. Maar… dat dacht jij toch niet? [R:“nee, geen moment”] Die hebben het boek daardoor heel anders ervaren dan hoe ik het bedoeld heb. Nou, autobiografisch wil ik het niet helemaal noemen, nee. Gelukkig komt er genoeg uit mijn brein waar ik mijzelf helemaal niet in herken. Zoals de dingen die Cleo doet zijn zó over de top. Maar dat is juist wel heel leuk. Ik hou daar wel van: een beetje dat “zieke” beschrijven. Net zoals acteurs graag een slechterik willen spelen, is dat voor een schrijver een feestje om je daarin uit te leven. Ik ben ook best een drama-queen.’
Roelant: ‘In datzelfde licht schrijf je:
Hij is juist heel zorgzaam. Toen hij me gisteren terugzoende, leek het wel of hij bang was dat ik zou breken. Nog nooit ben ik zo zachtjes door een jongen gezoend.’
[NB. bij het voorlezen van deze zin benadrukt Roelant het woord “jongen”]
Maren: [lachend] ‘Dat maakt hele volksstammen lesbisch. Milas heeft natuurlijk wel een heel stoer voorkomen…. Nee, geen idee. Ik kan het ook niet meer recht praten. Maar echt grappig dat die passages jou juist zijn opgevallen. Dat is nog nooit iemand opgevallen. Daar lezen mijn lezers overheen. Het is eigenlijk pas nadat ik vier of vijf boeken geschreven had dat ik besefte: okay, jongens gaan het niet worden voor mij. Ik was toen negentien. Toen ik mijn coming-out aan vriendinnen vertelde, zei één van hen: oh, daarom zitten jouw boeken zo in elkaar. Dat was onverwacht voor me. Ik wist dat echt niet. Onbewust zit dat er dan in. Dat zal er wel in blijven, denk ik. De jongens die ik leuk beschrijf in mijn boek hebben allemaal iets vrouwelijks. Ik krijg ook veel feed-back van meisjes dat ze de jongens in mijn boeken zo leuk vinden. Maar grappig dat je dat zo uit dat boek kunt halen. Nu je dat zo achter elkaar zet, zie ik het ook en ben ik benieuwd of zulke dingen ook in mijn nieuwe boek zitten.’
Roelant: ‘Wat ik heel leuk vind in Escape Room is dat elke persoon om wie het in dat hoofdstuk gaat zijn eigen lettertype heeft.’
Maren: ‘Dan ben je een van de weinige volwassenen die dat vindt. De kinderen vonden dat allemaal heel leuk, maar recensenten hebben daar vaak kritisch op gereageerd. In mijn nieuwe boek hebben we dat niet meer zo gedaan. Ik schrijf graag vanuit diverse perspectieven. Nu zijn vijf er misschien wat veel. Voor Fright Night heb ik er vier genomen. Ik wou wat meer diepgang, wat meer nadruk op de psychologische effecten. Wat doet het met je? Toen ik in negen maanden het boek schreef, was ik ook precies negen maanden zwanger. Dan schrijf je over wat een moeder haar kind kan aandoen en dan krijg je zelf een kind. Dat was een hele heftige combinatie. Ik merkte ook dat het kindje in mijn buik heel erg heftig reageerde op de scènes die ik schreef. Dat heeft ook bij mij iets gedaan. Ik heb tijdens dat schrijven ook tegen hem gezegd dat hij moest blijven zitten tot het boek klaar was, omdat ik heel erg van hem wilde genieten. Daar heeft hij zich keurig aan gehouden, want nog geen twaalf uur nadat ik het boek af had, braken de vliezen. Dat was echt bizar. Op Facebook post ik dan een foto van mijn baby en ook van ons drieën samen. En nog heb je mensen die het niet snappen. Die vragen rustig of ik ook een foto van samen met mijn man wil posten. [we lachen hartelijk] Of ze denken dat ik die ook nog heb. Het is geen levensmissie, mijn geaardheid. Bij lezingen benoem ik het alleen als het ter sprake komt. Maar vragen als heb je een vriend, heb je kinderen, komen best snel. Niet iedereen is gezegend om kinderen te kunnen krijgen natuurlijk. Bij ons heeft het ook heel wat voeten in de aarde gehad. Mijn omgeving zei dan ook tegen me of ik dat wel op internet zou moeten zetten, dat het van een donor komt. Ik wil daar juist geen taboe van maken.
Laatst was ik op een basisschool een lezing aan het geven. De schoolleiding had me gevraagd of ik iets met het thema pesten kon doen. Nu ben ik zelf nooit gepest zodat ik het op een andere boeg heb gegooid. Ik heb toen een foto van onze zoon in een lijstje gedaan. De klas was een groep acht, vrij multicultureel. Ik zei dat ze allemaal mochten gaan staan en dat ik ze een foto zou laten zien. De vraag die ik hen stelde was of ze dachten dat die persoon op de foto later gepest zou gaan worden. Daarna zou ik nog wat dingen over hem vertellen. Als ze bij het verhaal dachten dat degene van de foto is of zal worden gepest, moesten ze gaan zitten. Ik draai de foto om en meteen gaan er drie, vier kinderen zitten. Ik ging vertellen dat hij een hele bijzondere naam heeft, eentje die niemand in Nederland heeft. Toen gingen er nog een paar kinderen zitten. Ik vertelde dat hij rood haar had. Toen gingen er nog meer kinderen zitten. Er bleven er maar twee staan. Toen vertelde ik dat hij geen vader had, maar wel twee moeders. Die ene ging meteen zitten en die andere twijfelde en keek om zich heen. Tja, zei ze, dat is niet echt een reden om te pesten. Dan moet je blijven staan, zei ik. Anders ga je meelopen en we hebben net gezegd dat dat niet de bedoeling is. Ze bleef staan. Ik gaf haar een hand en zei tegen haar: dank je wel voor het vertrouwen in mijn zoon. De organisatie trok helemaal wit weg. Ik wilde gewoon laten zien hoe dichtbij het kan zijn. Het was eerst een paar seconden stil, daarna kwam er een heel open gesprek. Ik merk dat ik toch wel een voorbeeldfunctie heb. Bij elk nieuw boek realiseer ik me dat opnieuw.’



